Zorg

Hoe volgen we de ontwikkeling van uw kind?
De leerkracht biedt de kinderen lesstof aan. De lesstof wordt door hen schriftelijk verwerkt door middel van het maken van opdrachten en toetsen. Dit werk wordt door de leerkracht beoordeeld met cijfers en / of letters. Verder worden de kinderen geobserveerd, getest en krijgen ze vanaf groep 5 repetities.

De verzameling van beoordelingen wordt verwerkt in observatielijsten en rapporten. Van iedere leerling wordt een dossier aangelegd. Zodra een kind de school verlaat, wordt een onderwijskundig rapport opgesteld ten behoeve van de volgende school.

De rapportage
De vorderingen van de leerlingen van groep 1 en 2 kunnen twee keer per jaar (januari en juli) met de leerkracht besproken worden. Dit gebeurt aan de hand van een observatielijst.
De leerlingen van groep 3 t/m 8 krijgen twee keer per jaar een rapport mee. Hier staan woordbeoordelingen en cijfers op. Voor ieder rapport krijgt u de gelegenheid om met de leerkracht daarover te praten.

De cito eindtoets
De kinderen van groep 8 maken in februari de eindtoets basisonderwijs. De uitslag van deze toets wordt gebruikt in het gesprek tussen ouders en leerkracht om een goede keus voor het voortgezet onderwijs te maken. Uit de toetsresultaten van de afgelopen vijf jaar blijkt dat de prestaties van de leerlingen aan het einde van de schoolperiode op het niveau liggen, dat op grond van de kenmerken van de leerlingpopulatie, mag worden verwacht.

Schoolkeuze en voortgezet onderwijs
Het percentage leerlingen dat naar de diverse vormen van het voortgezet onderwijs gaat, wisselt van jaar tot jaar. Het is o.a. afhankelijk van de samenstelling van groep 8.

De schoolkeuze wordt mede bepaald door drie elementen:

  • de capaciteiten van een kind
  • de kwaliteit van de basisschool
  • de thuissituatie

Het middelste punt heeft onze bijzondere aandacht. We stellen ons ten doel het maximale uit elk kind te halen en er zodoende voor te zorgen dat het kind in de meest geschikte vorm van voortgezet onderwijs terechtkomt en op die school goed mee kan komen.
In groep 8 moeten ouders en kinderen een keuze maken voor een school voor voortgezet onderwijs. De eindtoets Basisonderwijs (Cito) is hierbij een hulpmiddel. Deze wordt dit jaar afgenomen in april. Van de Cito-toets ontvangen alle ouders in mei de uitslag. Belangrijk is hierbij de standaardscore. Informatie over de toets, de mogelijkheden van voortgezet onderwijs en de gang van zaken rondom de schoolkeuze en aanmelding krijgt u op de informatieavond.

In de maand januari / februari krijgen de leerlingen een advies over de, naar onze mening, geschiktste vorm van voortgezet onderwijs. In een gesprek wordt dit advies toegelicht. Het schooladvies is doorslaggevend voor de toelating tot het voortgezet onderwijs.
De aanmelding voor het vervolgonderwijs dient voor 1 april gedaan te zijn.
We streven naar een goede aansluiting met een voor elk kind geschikte vorm van voortgezet onderwijs. Dit proberen we te realiseren door diverse contacten met het voortgezet onderwijs. Hierbij moet u denken aan:

  • het onder de aandacht brengen en bezoeken van open dagen;
  • doorspreken van de leerlingen met de toelatingscommissie;
  • uitnodiging kennismakingsbezoek aan de nieuwe school;
  • het doorgeven van de leerresultaten in de eerste jaren van het VO;
  • bezoeken van bijeenkomsten door leerkrachten tussen BO en VO.

Verlengde kleuterperiode
Wanneer uw kind 4 jaar wordt mag het voor het eerst naar de basisschool en komt het in groep 1 of een instroomgroep terecht. Zit uw kind korter dan 1 jaar in groep 1, dan komt uw kind het volgend schooljaar weer in groep 1. Nu kan het zijn dat uw kleuter zich zo vlot ontwikkelt, dat een doorstroom naar groep 2 beter is. We denken dan vooral aan de kleuters die in oktober, november of december 4 jaar zijn geworden.

Deze kleuters zitten vaak bijna 3 jaar in een kleutergroep. Als school kijken we naar de cognitieve en sociaal emotionele ontwikkeling. Tijdens de leerling bespreking
besteden de leerkrachten en intern begeleider extra aandacht aan deze groep kleuters. Is uw kleuter toe aan groep 2, dan zal hij of zij doorstromen naar groep 2. Is uw kleuter hier nog niet aan toe, dan gaat hij of zij gewoon naar groep 1. Deze beslissing wordt, in goed overleg met de ouders, genomen door school. De eindbeslissing ligt hierbij altijd bij de school.

Vervroegde doorstroming
Vervroegde doorstroming houdt in dat de leerling eerder dan gebruikelijk naar een volgende groep gaat. Omdat vervroegde doorstroming een ingrijpende maatregel is hanteren we criteria die zijn omschreven in het protocol (hoog) begaafdheid.

Protocol (hoog)begaafdheid
Op de CNS-scholen wordt gewerkt met een protocol (hoog)begaafdheid. De doelstelling van het protocol is om (hoog)begaafde leerlingen met plezier naar school te laten gaan, hen leren te leren en zich in te spannen voor hun werk en onderpresteren te voorkomen. Het protocol is met name gericht op: signalering, diagnosticeren en begeleiding van (hoog)begaafde kinderen met passende leerstof en goede pedagogische begeleiding. Er zijn verschillende momenten waarop de signalering van (hoog)begaafde leerlingen kan
plaatsvinden.

Van belang is dat de signalering vroegtijdig plaatsvindt. We maken gebruik van het Digitaal
Handelingsprotocol Hoogbegaafdheid, een interactief instrument dat de school ondersteunt bij de begeleiding van (hoog)begaafde leerlingen.

‘Plusklas’
CNS kent sinds het schooljaar 2009 – 2010 een bovenschoolse ‘Plusklas’. Deze klas is bedoeld voor kinderen uit groep 4 t/m 8 die meer- of hoogbegaafd zijn. Leerlingen van groep 4 en 5 gaan naar de plusklas op dinsdagmiddag (3 x in de maand). Leerlingen van groep 5, 6 en 7 gaan elke dinsdag- of donderdagmorgen. Leerlingen van groep 8 gaan naar de plusklas op de Nuborgh locatie Veluvine.

In de Plusklas wordt voldoende uitdaging gegeven en komen we tegemoet aan de specifieke leerbehoefte. Na overleg tussen school en ouders meldt de IB-er van een school de leerling aan bij een toelatingscommissie die beoordeelt of de leerling voor plaatsing in aanmerking komt. Doel van de plusklas is dat de leerlingen in de ontmoeting met ontwikkelingsgelijken zich aan elkaar kunnen spiegelen, zich verder kunnen ontwikkelen, hun zelfvertrouwen kunnen verbeteren en de natuurlijke drang om te leren (weer) opbouwen.

Ook het onderdeel studievaardigheden en de sociaal emotionele ontwikkeling van de kinderen komt elke week aan bod. Iedere leerling werkt hierbij op zijn eigen niveau en zet zich ook in om met elkaar een ontdekkende, lerende omgeving te vormen. De kinderen werken bovendien met behulp van zelfopgestelde leerdoelen en zijn veel ontdekkend bezig. Op deze manier ontwikkelen we vaardigheden die zij nodig hebben om op een zelfstandige en kritische manier met de leerstof om te gaan en zich optimaal te kunnen
ontwikkelen op ieder gebied. Ook op gebieden waar zij nog wat meer moeite mee hebben. Zo kunnen we als school voor ieder kind een lerende en stimulerende omgeving vormen.

Passend onderwijs
De Wet Passend Onderwijs is per 1 augustus 2014 van kracht en zorgt voor een aantal veranderingen. Scholen krijgen dan een zorgplicht en de landelijke indicatiestelling vervalt. Wat verandert er? Ouders melden hun kind aan bij de school die hun voorkeur heeft. Binnen 6 tot 10 weken moet de school een zo passend mogelijk aanbod op de eigen, een andere reguliere of een speciale school binnen de regio regelen.

De school heeft dus een zorgplicht. De school regelt de extra ondersteuning in de klas (lichte ondersteuning) of een plek op een andere school of de plaatsing in het speciaal onderwijs (zware ondersteuning). Ouders hoeven dus niet meer zelf een ingewikkelde indicatieprocedure te doorlopen. De landelijke indicatiesystematiek wordt afgeschaft. Het accent verschuift van het medisch labelen van kinderen naar wat zij daadwerkelijk nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen. De onderwijsbehoefte is dus het uitgangspunt.

Als een leerling met een extra ondersteuningsbehoefte op de Immanuëlschool wordt aangemeld, dan zullen wij informatie verzamelen over welke ondersteuning het kind nodig heeft. Dit gebeurt ook als de leerling al op school zit en de extra ondersteuningsbehoefte pas later duidelijk wordt. Van u als ouder wordt verwacht dat u de informatie die u heeft, deelt met de school. Een leerling-dossier is bijvoorbeeld een belangrijke bron van informatie. Soms is aanvullend onderzoek door een psycholoog of een orthopedagoog
nodig. U moet daar toestemming voor geven. Ook voor het opvragen van informatie over uw kind bij andere instanties heeft de school uw toestemming nodig.

Scholen in het regulier- en speciaal onderwijs maken afspraken over de ondersteuning aan leerlingen in hun regio. Ze werken samen in de zogenoemde regionale samenwerkings-verbanden. De Immanuëlschool is aangesloten bij de Onderwijszorgkoepel Noord Veluwe (OZK NV – www.onderwijszorgkoepel.nl). Dit is een samenwerkingsverband waarbinnen de aangesloten partijen afspraken maken om de onderwijszorg en jeugdzorg voor kinderen en jeugdigen van 4 t/m 20 jaar zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen.

Scholen hebben een ondersteuningsprofiel. Hierin geven wij aan welke onderwijsondersteuning we aan leerlingen kunnen bieden. Het schoolondersteuningsprofiel van de Immanuëlschool speelt ook een rol in ons toelatingsbeleid

We onderscheiden 2 vormen van ondersteuning aan leerlingen: basiszorg en extra zorg.

Basiszorg:

  • We houden rekening met verschillen tussen leerlingen
  • We organiseren 3 niveaus van instructiebehoefte
  • Enkele leerlingen gaan werken met een ontwikkelperspectief in de eigen klas
  • Sommige leerlingen worden kortdurend extra ondersteund binnen of buiten de groep.

Extra zorg:
Voor sommige leerlingen is de basiszorg niet voldoende. Zij zijn aangewezen op extra zorg. Deze zorg kunnen de leerlingen krijgen op het S(B)O maar ook bij ons op school zijn er mogelijkheden.

Er zijn ook grenzen aan de extra zorg:

  • Teveel leerlingen uit een klas die extra ondersteuning nodig hebben
  • Te weinig tijd om de leerling voldoende extra ondersteuning te bieden
  • Te weinig kennis om de leerling de juiste ondersteuning te bieden